De legende
En wat ervan klopt

Deze pagina hoort bij de stamreeks Van Tulden. Die volgt de familie van generatie op generatie, op basis van verifieerbare bronnen. Daarnaast duikt in de familiegeschiedenis een hardnekkig verhaal op: dat van een vermeende afstamming van het adellijke huis Van Beeck.

Een stamboom vol ridders

Sla de oudste genealogieën open en je waant je in een ridderroman. De samenstellers putten uit familieoverlevering en vulden hiaten aan met kronieken en losse oorkonden.1 Het resultaat is indrukwekkend: vrijwel iedere voorvader draagt een zwaard.

Volgens deze genealogie sneuvelt Reijnardus in 1072 bij Cassel, samen met zijn zoon. Raijnaut de Beeck verschijnt als getuige van Godfried van Bouillon en neemt in 1096 het kruis op voor de Eerste Kruistocht. Gerard de Beeck, dictus de Thulden, zou met keizer Frederik ‘in Azië tegen de ongelovigen’ hebben gevochten. En aan het einde van de reeks sneuvelt opnieuw een Gerard, ditmaal tijdens de Guldensporenslag bij Kortrijk in 1302, met de banier van de graaf van Cuijck in de hand.

Zo ontstaat een indrukwekkende afstammingsreeks van twaalf opeenvolgende generaties ridders.

Deze genealogie duikt op in verschillende latere afschriften, onder meer bij douairière Marie Isabelle de Thulden, en in de heraldische bibliotheek van het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken. Beide verwijzen naar dezelfde gezagsbronnen, waaronder Alberic de Doust.

Juist daardoor is na te gaan hoeveel van de legende standhoudt.

Wie was ‘Alberic de Doust’?

Achter ‘Alberic de Doust’ gaat vrijwel zeker Albéric (Aubry) de Trois-Fontaines schuil, een dertiende-eeuwse cisterciënzermonnik die een omvangrijke wereldkroniek naliet. Die kroniek is bewaard gebleven en tegenwoordig eenvoudig raadpleegbaar.7

Maar wie de kroniek erop naslaat, stuit op een verrassing: de familie Van Beeck komt er nergens in voor.

De eerste schakel in de ridderketen is Reijnardus. Volgens de genealogie wordt hij rond 1068 genoemd in een akkoord met de gravin van Henegouwen; enkele jaren later zou hij samen met zijn zoon Tammart de Beeck zijn gesneuveld bij Cassel. Als bron staat vermeld: raporté par Alberic de Doust.

De kroniek vertelt echter iets anders. Albéric noemt de hoofdrolspelers rond Cassel – onder wie Robrecht de Fries en Richilde van Henegouwen – maar Reijnardus en zijn zoon ontbreken volledig (p. 797). Ook het vermeende akkoord met de gravin levert geen spoor van een Van Beeck op.

Hetzelfde patroon keert verderop terug. Albéric besteedt uitvoerig aandacht aan de Eerste kruistocht (pp. 809–810) en beschrijft de verrichtingen van onder anderen Godfried van Bouillon, Bohemund en Raymond van Toulouse. Een Raijnardus de Beecka komt echter nergens voor. Ook het jaar 1120, waarin een Van Beeck kanunnik zou zijn geworden, behandelt hij uitsluitend in het kader van pauselijke politiek en de investituurstrijd (p. 824).

Nog interessanter is wat Albéric wél vermeldt. Op pagina 798 noemt hij een Rainardus, zoon van Fredericus comes Tullensis, graaf van Toul in Lotharingen, die zich tijdens de tocht naar Jeruzalem zou hebben onderscheiden. Deze familie bewoog zich bovendien in de kring rond Godfried van Bouillon. Naam, kruistocht en Godfried van Bouillon: alle bouwstenen van de latere Raijnardus de Beeck zijn aanwezig.

Maar Tullensis betekent niet ‘van Tuldel’, maar ‘van Toul’, de oude bisschopsstad in Lotharingen. De Rainardus van Albéric is daarmee geen vroege Van Tulden, maar een edelman uit Toul. Het lijkt er sterk op dat een latere genealoog de naam Rainardus en het woord Tullensis met elkaar heeft verbonden en zo een aantrekkelijke, maar historisch onbewezen voorouder heeft gecreëerd.

De tweede gezagsbron, ‘Rennebourg’, laat zich evenmin aan een bekende kroniek, auteur of bron koppelen. Ook dat is veelzeggend. Waar de eerste bron daadwerkelijk bestaat maar iets anders vertelt dan de genealogie suggereert, lijkt de tweede vooralsnog geheel onvindbaar.

Wat blijft er van over?

Verrassend weinig. Van de twaalf generaties ridders die de legende opvoert, laten slechts twee figuren zich daadwerkelijk in de bronnen terugvinden. En juist bij hen blijkt de verbinding met de familie onzeker.

Diederik van Beek

De eerste is Diederik van Beek. Volgens een bewaarde akte schonk weduwnaar Theodericus de Beke omstreeks 1146 een hoeve in Mierde aan de abdij van Averbode. De akte beschrijft hoe hij het bezit eerst verpandde voor vijf pond zilver, het vervolgens definitief overdroeg en, ‘verlangend God nabij te komen’, zelf intrad in het religieuze leven. Zijn zoon Iuels vocht de schenking later nog aan, zonder succes.5

Hiermee staat Diederik stevig in de geschiedenis. De vraag is alleen: welke hoeve schonk hij?

In de familieoverlevering groeide Diederik uit tot ‘heer van Tulden’. Daarmee ontstond de indruk dat hij eigenaar was van de Tulderhoeve en dus een vroege vertegenwoordiger van de familie. De bronnen wijzen echter een andere richting uit.

De abdij van Averbode breidde haar bezittingen rond Mierde in deze periode snel uit. Diederiks schenking lijkt één van de vele verwervingen uit die streek te zijn geweest. Volgens de Mierdse heemkunde bevat de akte bovendien de oudste vermelding van Kuilenrode – Culensrode of Culitsrode – bij Hooge Mierde.6 Waarschijnlijk had de schenking betrekking op deze hoeve.

Dat maakt de geschiedenis minder spectaculair, maar wel concreter. Niet de Tulderhoeve bij Esbeek, maar vermoedelijk Kuilenrode kwam in handen van Averbode. Die hoeve bleef vervolgens nog eeuwenlang abdijbezit, totdat zij in de twintigste eeuw werd gesloopt.

De Tulderhoeve zelf lag elders, bij Esbeek onder Hilvarenbeek. Ironisch genoeg ontbreekt juist van die hoeve de oorspronkelijke verwervingsakte. Toen abt Arnoldus van Tuldel – zelf afkomstig van de Tulderhoeve – rond 1375 orde probeerde te scheppen in de abdijarchieven, was het bewijsstuk al verdwenen.

Wat overblijft is een historische Diederik van Beek: een man die een hoeve aan Averbode schonk en zich aan het religieuze leven wijdde. Dat hij heer van Tulden was, laat staan een aantoonbare voorouder van de familie, blijkt nergens uit de bronnen.

Beke, niet Van Beeck

Eén woord in de oorkonde werpt nieuw licht op de hele legende. Diederik wordt daarin niet aangeduid als Van Beeck, maar als Theodericus de Beke. In de twaalfde eeuw was dat geen familienaam, maar een herkomstaanduiding: Diederik uit Beek, oftewel uit Hilvarenbeek. Het Oorkondenboek vertaalt de naam dan ook zonder aarzeling als ‘Diederik van Hilvarenbeek’.5

Dat verschil is van belang. De genealogische traditie las in de naam een verwijzing naar een adellijk geslacht Van Beeck. De bron zelf biedt daarvoor geen aanwijzing. Zij noemt slechts iemand die afkomstig was uit Beek.

Sterker nog, de akte spreekt van quidam Theodericus de Beke, letterlijk ‘een zekere Diederik uit Hilvarenbeek’. De formulering draagt weinig bij aan het beeld van een vooraanstaand adellijk geslacht.

Gerard van Eelen

De tweede historische figuur verschijnt bij Baesweiler. Op 22 augustus 1371 werd hertog Wenceslaus van Brabant bij Aken verslagen en gevangengenomen door Willem van Gulik. Pas een jaar later kwam hij weer vrij. De zeventiende-eeuwse genealoog Butkens noemt een Gerard de Thulden die daar aan de zijde van de hertog vocht, gewond raakte en in 1372 te Aken tot ridder werd geslagen.2

Volgens Butkens woonde Gerard te Eelen, was hij gehuwd met Ermengardis de Herlaer en had hij een zoon, Henric, die in de gunst stond bij Wenceslaus en hertogin Johanna.

Anders dan de meeste figuren uit de legende lijkt Gerard daadwerkelijk historisch traceerbaar. Daarmee is hij de oudste persoon uit de reeks van wie het bestaan aannemelijk kan worden gemaakt.

Toch blijft de vraag of hij in déze familie thuishoort. Gerard behoort tot de adellijke tak van Eelen, terwijl hij in de gedocumenteerde stamreeks niet voorkomt. Die stamreeks loopt via Hilvarenbeekse pachtboeren terug tot omstreeks 1290 en biedt geen aanknopingspunt voor een verbinding met de Eelense adel.

Dat Gerard eveneens de naam ‘de Thulden’ draagt, bewijst weinig. Het gaat vermoedelijk om een plaatsnaam die op meerdere plekken onafhankelijk van elkaar is ontstaan: in Limburg uit een tol, bij de Hilvarenbeekse familie uit de Tulderhoeve, afgeleid van ‘teulen’, ploegen. Naamgenoten dus, maar niet noodzakelijk verwanten.

Een echte ridder – maar vermoedelijk de verkeerde.

Eelen en kasteel Sipernau

Eén detail maakt de legende extra aantrekkelijk. In de genealogie duikt de naam ‘de Eelen’ of ‘van Eel’ op. Tegelijk bestond bij het Maasdorp Elen – vroeger vaak gespeld als Eelen – het kasteel Sipernau. Bovendien is uit de bronnen een echte Limburgse ridderfamilie Van Eelen bekend: Dirk, vermeld als ‘miles van Eelne’ rond 1263, en zijn zoon, ridder Willem van Eelen, vermeld in 1348.3

De verleiding om beide verhalen met elkaar te verbinden is begrijpelijk.

Kasteel Sipernau bij Elen
Kasteel Sipernau bij Elen. Foto door D.M.P.E. den Held.

De bronnen wijzen echter een andere richting uit. Sipernau was een leen van het graafschap Loon, waarvan de bezitters goed gedocumenteerd zijn. Vanaf 1259 verschijnt ridder del Wege als heer van Sipernau, gevolgd door de familie Buman. In 1366 kwam het goed in handen van ridder Adam van Mopertingen, die zich vervolgens ‘van Syppernauw’ noemde. In de eeuwen daarna ging het bezit over op onder meer de families Van der Marck, Van der Liliën, de Bors d’Overen, d’Alcantara en Powis de Tenbossche.8 De laatste eigenaar was de familie Bokken, die het kasteel tot 1952 bezat.4

Opvallend is dat verschillende eigenaren de naam van het kasteel aan hun eigen naam toevoegden. Adam van Mopertingen deed dat al in de veertiende eeuw; ridder Theodoor Olislagers (1787–1861) noemde zich zelfs Olislagers de Sipernau.8 De naam verwees dus naar bezit, niet naar afkomst.

Juist daarom is het veelzeggend dat de ridders Van Eelen nergens als heren van Sipernau verschijnen. In hun tijd behoorde het kasteel al toe aan andere families. Hun naam verwijst naar het dorp Elen, niet naar het kasteel.

Waarom ontstond deze legende?

Dat zoveel voorouders toevallig ridder waren, is geen toeval. Een zeventiende-eeuwse stamboom was vaak een bewijsstuk: hoe meer ridders, kruistochten en veldslagen, hoe overtuigender de claim op adel. Ridders waren simpelweg het beste bewijs dat je kon leveren.

En de tak die deze stamboom koesterde, had dat bewijs ook echt nodig – maar dat was niet onze lijn. Het waren de nazaten van mr. Nicolaes van Tulden, een halfbroer van voorvader Gherit, de Bossche stadsrentmeester. Terwijl onze tak koopman en burger bleef, klom die van Nicolaes op langs universiteit en raadszaal, tot zij met Floris in 1696 de adel bereikte. Voor hen was een illustere afstamming geen ijdelheid maar gereedschap.

Die neiging stierf niet uit met de zeventiende eeuw – en bleef ook niet bij die ene tak. Nog in de twintigste eeuw ontwierp een familielid een eigen wapen en greep terug op diezelfde Van Beeck-afstamming. Daarbij kreeg de vader van Isabella Theresia de Roy – een Nederweertse dagloonster die in 1785 met een dorpskleermaker trouwde – plots de naam ‘de Roy van Sipernau’, enkel om het kruis uit dát wapen te mogen overnemen. ‘Van Sipernau’ was nochtans geen vrije naam om bij te schrijven. Juist in 1785, toen Isabella met haar dorpskleermaker trouwde, woonde er een échte baron op het kasteel: de Duitse baron Alexander van der Liliën, sinds 1781 eigenaar van Sipernau én van de heerlijke rechten van Elen.8.

Hoe adel werkelijk werd verworven

Drie mannen uit die zijtak – verwanten, geen voorvaderen – laten zien hoe adel in de praktijk werd verworven: niet met een ridderslag op het slagveld, maar met een universiteit, een raadszaal en een hof.

Johan: ridderschap via een stamboom

Mr. Johan van Tulden bracht het ver: schepen van Den Bosch, stadspensionaris, uiteindelijk vicekanselier van Brabant. Op zijn grafschrift heet hij Joannes de Thulden, eques auratus – ridder. Maar die titel had niets met een slagveld te maken. Hij mocht hem voeren omdat hij aanwezig was geweest bij de inhuldiging van koning Filips IV als heer der Nederlanden, en omdat hij genealogisch bewijs van zijn afkomst had overgelegd.1 De ridderslag van de legende moest worden verdiend met wapenfeiten; deze ridderschap werd verworven met een uitnodiging en een stamboom. Toen Johan in 1651 de kanselarij misliep, kreeg hij een jaar later uit Madrid een patentbrief voor zijn wapen, met twee vleeskleurige wildemannen als schildhouders – mogelijk een troostprijs, in elk geval geen wapenfeit.

Simon: de geverifieerde jonker

Zijn zoon Simon maakte er werk van. Hij liet zich aan de universiteit inschrijven als nobilis, noemde zich jonker, en liet in augustus 1645 een uitgebreide heraldische verklaring opstellen, ondertekend door zes notarissen. Onderdeel daarvan was een verklaring over zijn grootvader: die had ‘noijt … eenige mechanijcque exercitie’ gedaan, maar zich altijd naar zijn stand gedragen, ‘gaende daegelicx metten rappiere’. Geen folklore, maar de adelstoets zelf: geen handenarbeid, dagelijks de degen op zij. De ironie diende zich snel aan. Dezelfde Simon schoot in januari 1659 in de trekschuit van Brussel naar Antwerpen een medereiziger neer – na ruzie over zijn hónd. Het slachtoffer overleed tien jaar later; Simon zat al die tijd vast op de Treurenberg, beledigde zijn rechters tot een 76-jarige procureur hem ‘avec une furie tout-à-fait extraordinaire’ een pak slaag verkocht, en stierf er in 1676 in de cel. De man die zijn adeldom liet authenticeren, eindigde als veroordeeld moordenaar.1

Floris: de eerste echte baron

Twee generaties later kwam de titel toch – maar langs de route die de legende nooit had durven verzinnen. Floris van Thulden (1637–1698) maakte een degelijke carrière in dienst van de Spaanse kroon: requestmeester en raadsheer bij de Grote Raad te Mechelen, lid van de Geheime Raad en de Raad van State, en vanaf 1693 van de Hoge Raad te Madrid. Op 8 juli 1696 werd hij verheven tot baron, met het recht de gravenkroon boven zijn wapen te voeren en met de prerogatieven van de grafelijkheid; de heerlijkheid Sint-Margriete-Houtem, ingebracht door zijn eerste vrouw, werd tot baronie verheven. Een achterkleinkind noteerde droogweg dat koning Karel hem in zijn Raad had opgenomen, l’aijant honoré du tiltre de baron et pour tout sa posterité.1 Geen kruistocht, geen Guldensporenslag – een loopbaan aan een bureau in Mechelen, Brussel en Madrid. De adel die generaties lang met verzonnen ridders was bewezen, kwam er pas echt toen een Van Thulden ophield ridder te spelen en ging dienen.

En het wrange slot: in mannelijke lijn stierf de baronie binnen twee generaties uit. De titel leefde alleen voort doordat schoonzoon Corten – de vader van de bovengenoemde douairière Marie Isabelle de Thulden – in 1720 door zijn schoonmoeder werd geadopteerd, en met de naam ook het wapen meenam.1 Maar dat is een ander verhaal.

Het werkelijke verhaal

De ironie wil dat in de gedocumenteerde lijn zelf – die vanaf rond 1290 met akten te volgen is – geen enkele ridder opduikt. Wat er wél staat, is geen grauwe rij, maar een verhaal van klimmen. De oudste voorvader is een laat: een half-vrije pachtboer op een abdijhoeve. Vijf generaties later trekt een kleermaker, ‘die snyer van Hilverenbeke’, in 1486 naar ’s-Hertogenbosch – en daar gaat het snel. Zijn nazaten worden vleeshouwer, cremer en lakenkoopman, en in mr. Gherit van Tulden (1546–1610) zelfs stadsrentmeester van de stad, dwars door de jaren van de Opstand.

Diezelfde Bossche tak bracht ook namen voort die net buiten de rechte lijn vallen, maar er als broers naast staan: de barokschilder Theodoor van Thulden, die met Rubens samenwerkte, was een broer van voorvader Arnoult; en mr. Nicolaes van Tulden, schepen en president van Den Bosch, was een halfbroer van voorvader Gherit.

Het was Nicolaes’ tak – via diens zoon Johan – die generaties later de adellijke titel verwierf; een andere zoon, Diodorus, werd de gevierde Leuvense rechtsgeleerde ‘Tuldenus’.

Geen geleende zwaarden, kortom, maar een echte opgang – van half-vrije pachtboer tot koopman, bestuurder en geleerde, schakel voor schakel op eigen kracht.

Die geschiedenis mist de zwier van de legende. Maar ze bezit iets wat geen riddergenealogie kan bieden: ze is waar.

En dát verhaal staat hiernaast.

Bronnen

  1. Adriaenssen, L. F. W. (2011). Voorheen van Tuldel, thans Van Tulden, Van Tulder, Van Thulden. Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening.
  2. Butkens, C. (1641). Trophées tant sacrés que prophanes de la duché de Brabant (Tome I). Antwerpen: Christophe Jegher. (Zoals aangehaald in Adriaenssen, 2011.)
  3. Van de Weerd, H. (1909). Geschiedenis van Eelen: Parochie – heerlijkheid – gemeente. Ook verschenen in Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg (1910), pp. 149–286.
  4. Bouwhistorisch onderzoek Sint-Pieterskerk Elen [bouwhistorisch rapport].
  5. Camps, H. P. H. (1979). Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312, I: De Meierij van ’s-Hertogenbosch (met de heerlijkheid Gemert). ’s-Gravenhage: Nijhoff (Rijks Geschiedkundige Publicatiën), nr. 91 [ca. 1200]. Origineel: Abdij Averbode, sectie I, charter 56 (met gaaf abtszegel). Gedigitaliseerd: resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/obnb.
  6. Wijten-van den Borne, T. (2021). Onverwacht verleden. Heemkundige Kring De Mierden.
  7. Albericus Trium Fontium. (1874). Chronica Albrici monachi Trium Fontium, a monacho Novi Monasterii Hoiensis interpolata (P. Scheffer-Boichorst, Ed.). In Monumenta Germaniae Historica, Scriptores (Deel 23, pp. 631–950). Hannover. Geraadpleegd via de gedigitaliseerde reprint (Leipzig: Hiersemann, 1925–1933) op Gallica (BnF): gallica.bnf.fr/ark:/12148/bpt6k93452w.
  8. Agentschap Onroerend Erfgoed, Kasteel Sipernau (erfgoedobject 71380; tekst F. Schlusmans, 2005). Geraadpleegd via inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/71380. Voor de naam ‘Olislagers de Sipernau’: Kasteel Sipernau, Wikipedia (NL).

Verder geraadpleegd (niet rechtstreeks geciteerd):

← Terug naar de stamreeks Van Tulden